Waarom moeten we niet reïncarneren?
Waarom mogen we niet meer verrijzen, vroeg Rik Torfs zich in paaskrant af. Etienne Vermeersch formuleert een antwoord. 'Is er ergens een criterium te vinden waar het recht op verrijzenis zou beginnen?'
Al in mijn vroege kinderjaren vond ik het pijnlijk dat er intelligente,
eerlijke en ethisch hoogstaande mensen waren die over belangrijke
vragen onverzoenbare meningen hadden. En nu, zoveel decennia later, ben
ik met die vraag nog altijd niet in het reine. Ik dacht daar opnieuw
aan toen ik de mooie beschouwing bij Pasen van Rik Torfs las (DS 12
april), een man die ongetwijfeld de hierboven vermelde karakteristieken
heeft en die bovendien zo goed schrijft dat je aarzelt met hem in het
krijt te treden. Maar het onderwerp snakt naar verdere uitdieping. Bij
de grote wereldgodsdiensten staat de vraag over een leven na de dood
centraal. En als het antwoord 'ja' is, dan is er geen waarheid
belangrijker dan deze.
'Reliqua super faciem terrae...', zoals Ignatius zei, 'al de rest hier
op aarde' is dan slechts relevant in functie van dat oneindige bestaan
hierna. Hierover nadenken gaat de dimensies van een persoonlijk dispuut
ver te boven: talloze verstandige, eerlijke en goede mensen wereldwijd
zijn het over deze cruciale vraag grondig oneens. Rik Torfs lijkt de
verklaring van deze onenigheid te zoeken in het feit dat 'het verwerpen
van de oneindigheid niet voortvloeit uit de rede de keuze tussen geloof
en ongeloof in de verrijzenis heeft veel meer met schoonheid en liefde
te maken.' Eerder het gevoel dan de rede zouden in dit meningsverschil
bepalend zijn.
Alleen al vertrekkend van mijn persoonlijke ervaringen kan ik dat
standpunt moeilijk volgen. Ik heb tot mijn 25ste geloofd in een God die
dat leven na de dood garandeerde. Zo intens dat ik vijf jaar
uitsluitend aan Hem heb gewijd en er eeuwige geloften van zuiverheid,
armoede en gehoorzaamheid voor heb afgelegd. Toen ik na een periode van
anderhalf jaar intens studeren en nadenken, van dat geloof afstand nam,
had ik niet de indruk dat ik mij een ander 'levensgevoel' had eigen
gemaakt. Integendeel, telkens als ik, nog jaren later, Händels 'I know
that my redeemer liveth' beluisterde, of Bachs 'Sehet Jesus hat die
Hand uns zu fassen ausgespannt', kreeg ik de tranen in de ogen: ik
weende omdat het niet waar was. Ik ween nu niet meer, maar de
ontroering is gebleven. Alleen is mijn wereldbeschouwing definitief
veranderd, en dat op zuiver redelijke gronden. Zo'n persoonlijke
ervaring heeft echter slechts anekdotische waarde.
In het betoog van Rik Torfs stoort me vooral het toespitsen van de
wereldbeschouwelijke onenigheid op de thematiek van de verrijzenis.
Alleen al in het christendom zijn er twee, moeilijk met elkaar
verzoenbare, vormen van het geloof in een bewust voortbestaan. Er is
het geloof, grotendeels aan Plato ontleend, dat het wezen van de
persoonlijkheid samenvalt met een onsterfelijke 'ziel'. Daarnaast is er
de wederopstanding van de 'lichamen' op het einde der tijden, die het
late judaïsme, het christendom en de islam aan Zarathoestra ontleend
hebben. Maar naast die levensvisie zijn er honderden miljoenen mensen
die geloofd hebben of nog geloven in de reïncarnatie: na de dood dwingt
een ziel of althans een karma, de neerslag van onze voorbije daden, ons
tot telkens weer nieuwe geboorten. En die wedergeboorte is geen bron
van vertroosting zoals de westerse opvatting. Integendeel, ooit hoopt
men de 'moksha' of het 'nirwana' te bereiken en aan die dwangmatige
levensbegeerte te ontsnappen. Die 'westerse' en die 'oosterse' visie
sluiten elkaar volkomen uit; daar kan geen 'gevoel' iets aan
veranderen. En bij onderling strijdige beweringen besluit de normale
mens dat één van beide onwaar is, of allebei. Men kan opwerpen dat er
'mysteries' zijn, waarbij zo'n 'redelijke' conclusie verstek moet laten
gaan. Maar waar ligt de grens van dit domein van het mysterie? In de
loop der millennia hebben talloze volkeren over allerlei onderwerpen
mythische opvattingen gehad: het ontstaan van het heelal, de reden
waarom wij moeten lijden en sterven; de structuur van de sterrenhemel,
enzovoort...
Nemen we het fascinerende fenomeen van de regenboog: waar komt die
vandaan? We zien hem op een bepaalde plaats, maar als we daar zijn, is
hij verdwenen. Volgens de bijbel is hij een teken van het verbond
tussen God en de mensen en van zoiets zou de rede moeten afblijven.
Maar velen zagen een overeenkomst met de kleuren van de morgendauw:
'Hoe schoon die zonnestraal die door dien dreupel beeft'. En zo heeft
men, stap voor stap, van Aristoteles, Olympiodorus, Ibn Sina, Ibn
al-Haitham, Witelo, Qubt al-Din, Dietrich von Freiburg, Snellius,
Fermat, Descartes, en, als voorlopige voltooiing, Newton, een einde
gemaakt aan de mythen over de Iris. Dat heeft de rede gedaan, maar noch
de regenboog, noch de halo rond de maan, noch de morgendauw, zijn er
minder mooi door geworden. Rede, gevoel en ontzag zijn verschillende
benaderingen van de werkelijkheid, maar ze drukken elkaar niet weg.
Geconfronteerd met een bewering zal iemand die normaal denkt, die
spontaan met andere, gelijkaardige, vergelijken. Stel dat er voor de
mens een leven na de dood is, mocht de neanderthaler daar dan ook op
hopen? Of de homo erectus, die het vuur heeft uitgevonden, of de homo
habilis, die stenen werktuigen maakte, of de australopithecus
afarensis, die rechtop liep, zoals wij? Of stopt dit voorrecht plots
bij de chimpansee, die nochtans morfologisch en genetisch zo dicht bij
ons staat?
Is er ergens een criterium te vinden waar het recht op verrijzenis zou
beginnen? En in welk levensstadium verrijzen we? Als embryo van twee
dagen, als knaapje van tien jaar; als vrouw voorbij de menopauze, of
misschien als demente Alzheimer-patiënt? En die welke altijd zwaar
mentaal gehandicapt geweest zijn, of psychopathische lustmoordenaars,
als welke 'persoon' zullen die opstaan? Vragen die alleen impasses tot
antwoord hebben.
Daartegenover staan eenvoudige alledaagse vaststellingen die door
eeuwenlang wetenschappelijk onderzoek zijn bevestigd. Alle levende
wezens ontstaan en vergaan en dit tengevolge van natuurkundige en
scheikundige wetmatigheden die nooit ontkracht werden. Er is geen
enkele aanwijzing dat zoiets met het genus homo of met de soort homo
sapiens anders zou aflopen. Dat er eeuwenlang mythen en magische
overtuigingen bestaan hebben over geesten, spoken en mana's, is
psychologisch verklaarbaar; zoals ook de grote diversiteit ervan. De
dynamiek van de drie grote mythen - wedergeboorte, verrijzenis en
onsterfelijke ziel (alle drie ontstaan in het eerste millennium voor
Christus) - vindt zijn oorsprong in de groeiende ethische bewustwording
in die culturen, dat het kwaad op aarde niet altijd gestraft wordt en
het goede niet altijd beloond; een schandaal dat het boek Job op
meesterlijke wijze uitdrukt. Dat zo de hoop ontstaat op een leven na de
dood waarin het onrecht van deze wereld ongedaan wordt gemaakt, is
volkomen begrijpelijk. Maar juist het feit dat er toestanden zijn die
het ontstaan van zo'n overtuiging plausibel maken roept de hypothese
van wishful thinking op en die wordt nog versterkt door de vaststelling
dat de mythen die dat probleem moesten oplossen, met elkaar volledig in
strijd zijn.
Rik Torfs heeft gelijk dat de westerse mentaliteit in vroegere eeuwen
het geloof in de verrijzenis (of de onsterfelijke ziel) bijna tot een
evidentie maakte, maar zijn vraag 'waarom "mogen" we niet meer
verrijzen' is typisch westers: als oosterling zou hij aan zijn
sceptische opponent de vraag gesteld hebben: 'waarom "moeten" we niet
meer reïncarneren?' Ik besef dat mijn gedachtegang niet iedereen
overtuigt; de zijne ook niet: we moeten dat met wederzijds respect
aanvaarden. Over één ding kunnen we het eens blijven: of er nu al dan
niet een bestaan na de dood is, in elk geval kunnen we, hier en nu,
schoonheid goedheid en liefde voor onszelf en voor de anderen nastreven.
Etienne Vermeersch is hoogleraar emeritus filosofie.
Lees het artikel van Rik Torfs op:
www.standaard.be/opinie
© 2009 Corelio
Publicatie: De Standaard /
Publicatiedatum: 25 april 2009
Laatst gewijzigde documenten
Sitemap